← Alle artikelen & advies
Uit het productarchief

Licht-ABC: begrippen die helpen bij het kiezen

Een lichtplan begint met begrijpen wat er op een specificatieblad staat. Dit overzicht verklaart de begrippen die je bij podium-, presentatie- en sfeerverlichting het vaakst tegenkomt.

Dit bericht verscheen oorspronkelijk in 2012. Modelgegevens horen bij die periode. Leverbaarheid en ondersteuning kunnen veranderd zijn. Actueel aanbod vind je onder het artikel.

In dit artikel
  1. A — stroom, projectie en armaturen
  2. B — behoud van lichtopbrengst
  3. C — capaciteit, lichtsterkte en compacte lampen
  4. D — noodverlichting, reflectoren en voeding
  5. F en G — lichtbronnen en gelijkmatigheid
  6. H en I — halogeen, bescherming en inductie
  7. K — klasse, kleur en afstand
  8. L — van LED tot lux
  9. M, N en O — metaalhalogeen, normen en ornamenten
  10. P en R — puntbronnen, reflectoren en ruimte
  11. S — spanning, stroom en stroboscopie
  12. T — buizen en temperatuurstralers
  13. U — verblinding en ultraviolet
  14. V, W en Z — vermogen, voeding en zonlicht
  15. Van begrip naar lichtplan
  16. Verder met je opstelling

Dit Licht ABC is een naslagwerk voor licht, elektriciteit en armaturen. Zoek je de betekenis van een specificatie, wil je twee lampen vergelijken of een bestaand lichtplan begrijpen? Hieronder staan de begrippen alfabetisch. Oudere lamptechnieken blijven uitgelegd: ze komen nog voor in bestaande installaties, ook wanneer je voor een nieuwe opstelling LED kiest.

A — stroom, projectie en armaturen

Ampère (A)

De eenheid van elektrische stroomsterkte. De opgenomen stroom van een armatuur gebruik je bij het plannen van een voedingsgroep. Tel ook andere aangesloten apparatuur mee; het wattage van de lichtbron alleen beschrijft niet altijd de volledige belasting.

Ampère-uur (Ah)

Een maat voor elektrische lading in een accu. De werkelijke gebruiksduur hangt onder andere af van de afgenomen stroom, temperatuur, accutoestand en uitschakelgrens. Voor een vergelijking van opgeslagen energie is ook de accuspanning nodig: spanning maal Ah geeft bij benadering de energie in Wh.

ANSI lumen

Een aanduiding voor gemeten lichtstroom van een projector volgens een vastgelegde meetmethode. Het benodigde niveau hangt af van schermoppervlak, omgevingslicht, projectieafstand en gewenst contrast. Een vaste minimumwaarde per aantal bezoekers is daarom geen betrouwbare keuzehulp.

Armatuur en armatuurrendement

Een armatuur omvat de behuizing, optiek en voorzieningen om een lichtbron bruikbaar te laten functioneren. Bij geïntegreerde LED horen lichtbron en elektronica bij het ontwerp. Armatuurrendement beschrijft welk deel van de lichtstroom van de bron uit het armatuur komt; vergelijk dat niet zomaar met het elektrische rendement in lumen per watt.

B — behoud van lichtopbrengst

Behoudfactor

De factor waarmee een lichtberekening rekening houdt met teruglopende opbrengst door veroudering en vervuiling. Onderhoud, gebruiksduur en de omgeving bepalen de gekozen waarde. Dit is geen vaste eigenschap die voor elke ruimte of iedere LED-lamp gelijk is.

Bundelhoek

De hoek waaronder een lichtbundel zich verspreidt, volgens het meetcriterium van de fabrikant. Een kleine hoek geeft een geconcentreerde lichtvlek; een grotere hoek bestrijkt een breder gebied. Vergelijk bundelhoek, afstand en luxgegevens samen. De veldhoek kan groter zijn dan de opgegeven bundelhoek.

C — capaciteit, lichtsterkte en compacte lampen

Candela (cd)

De eenheid van lichtsterkte in een bepaalde richting. Een smalle spot kan in het midden een hoge lichtsterkte hebben zonder de hoogste totale lichtstroom in lumen te leveren. Candela beschrijft dus iets anders dan de hoeveelheid licht op een oppervlak in lux.

Capacitief

Een aanduiding voor elektrisch gedrag waarbij capaciteit een rol speelt. In oudere verlichtingsinstallaties worden condensatoren onder meer gebruikt voor compensatie. Bij elektronische voedingen zijn ook inschakelstromen en harmonischen relevant; een eenvoudige beschrijving als een verschoven stroomgolf verklaart niet alle eigenschappen.

Compactlamp

Een compacte fluorescentielamp, bijvoorbeeld met een insteekvoet en afzonderlijk voorschakelapparaat of met ingebouwde elektronica. Voet, aansluitwijze en voorschakelapparaat moeten overeenkomen. Een LED-vervanger met dezelfde uiterlijke vorm is niet automatisch elektrisch uitwisselbaar.

D — noodverlichting, reflectoren en voeding

Decentrale noodverlichting

Een noodverlichtingsarmatuur met een eigen accu en laadsysteem. Autonomie, permanente of niet-permanente werking en de voorgeschreven controles horen bij het ontwerp. Een draagbare acculamp of decoratieve LED-spot vervangt niet automatisch een daarvoor geschikte noodverlichtingsinstallatie.

Dichroïsche reflector

Een reflector met een coating die bepaalde golflengten anders reflecteert of doorlaat. Bij sommige halogeenlampen wordt zo relatief meer warmtestraling naar achteren afgevoerd. Dat betekent niet dat de lamp of het verlichte object niet meer warm kan worden.

Dimmer

Een regeling voor lichtintensiteit. Een netspanningsdimmer verandert de aangeboden voeding; een LED-armatuur kan intern worden gedimd. Die werkwijzen zijn niet onderling uitwisselbaar. Controleer bij een retrofitlamp zowel de lamp als het type dimmer en de toegestane belasting.

DMX

Een digitaal protocol voor besturingswaarden, zoals dimmer, kleur en beweging. Eén klassiek DMX-universe omvat maximaal 512 kanalen met per kanaal een waarde van 0 tot en met 255. Een armatuur kan meerdere kanalen gebruiken; de gekozen kanaalmodus bepaalt de benodigde ruimte in de patch.

Downlighter

Een armatuur dat hoofdzakelijk omlaag gericht licht geeft. Het kan ingebouwd of opgebouwd zijn en een vaste of verstelbare bundel hebben. Let bij toepassing op inbouwruimte, ventilatie, lichtverdeling en eventuele verblinding vanuit de normale kijkrichting.

Draaistroom, drie fasen en één fase

In een gebruikelijk 230/400V-net staat ongeveer 230 V tussen fase en nul en 400 V tussen twee fasen. Een driefasenverdeler kan passende 230V-uitgangen verdelen over de fasen. De stekker en kabeladers alleen vertellen niet of een aansluiting voor een bepaalde opstelling geschikt is.

Duo-schakeling

Een oudere schakeling met fluorescentielampen waarin inductieve en capacitieve eigenschappen worden gecombineerd. Ze heeft betrekking op de oorspronkelijke lamp- en voorschakelapparaten. Bij ombouw naar LED moet de volledige aansluiting worden beoordeeld; alleen de buis verwisselen kan onjuist zijn.

F en G — lichtbronnen en gelijkmatigheid

Filament en fitting

Een filament is oorspronkelijk de gloeidraad van een lamp; bij LED-filamentlampen wordt de term ook voor de vorm van LED-elementen gebruikt. De fitting of lampvoet vormt de mechanische en elektrische aansluiting. E14, E27 en E40 zijn verschillende schroefvoeten, geen aanduiding van vermogen of dimbaarheid.

Fluorescentiebuis en fluorescentielamp

Bij fluorescentieverlichting wordt straling uit een gasontlading via een laag aan de binnenkant omgezet in zichtbaar licht. Er is een geschikte stroombegrenzing nodig. Buizen verschillen onder meer in diameter, lengte, voet en elektrisch gedrag; oude en nieuwe uitvoeringen zijn niet alleen op lengte te vergelijken.

Gasontladingslamp

Een lichtbron waarbij een elektrische ontlading door een gas of damp licht produceert. Voorbeelden zijn fluorescentie-, natrium- en metaalhalogeenlampen. Voorschakelapparaat, eventuele ontsteker, brandstand en opwarmtijd kunnen onderdeel zijn van de specificatie. Een lichtbron vervangen vraagt meer dan alleen een passende lampvoet.

Gelijkmatigheid

De verhouding tussen de laagste en de gemiddelde verlichtingssterkte binnen een beschreven meetgebied, vaak aangeduid als U0. Een hoge gemiddelde luxwaarde zegt niets over donkere plekken zonder deze verdeling. Beoordeel zowel het taakgebied als aangrenzende delen; één losse meting onder een armatuur is onvoldoende.

H en I — halogeen, bescherming en inductie

Halfcilindrische verlichtingssterkte

Een grootheid voor licht dat op een halve cilindervorm valt. Ze kan helpen beschrijven hoe goed verticale vormen, zoals gezichten, worden aangelicht. De meetrichting is onderdeel van het gegeven. Een horizontale luxmeting op een tafel is daarmee niet rechtstreeks vergelijkbaar.

Halogeenlamp en hogedrukgasontladingslamp

Een halogeenlamp gebruikt een hete gloeidraad en een halogeencyclus; een hogedrukgasontladingslamp werkt via een ontlading. Beide kunnen veel warmte produceren, maar hebben verschillende voedings- en ontstekingeisen. Ze mogen dus niet worden verwisseld omdat het opgenomen vermogen toevallig overeenkomt.

IK-classificatie

Een classificatie voor weerstand van een behuizing tegen mechanische impact onder een beschreven test. IK zegt niets over waterdichtheid, een toegestane hijsbelasting of onbeperkte bestendigheid tegen vandalisme. Beoordeel de volledige uitvoering en de montage naast het opgegeven getal.

Inductief en inductielamp

Inductief gedrag hangt samen met een magnetisch veld, bijvoorbeeld in een spoel of conventioneel voorschakelapparaat. Een inductielamp is een specifieke lamptechniek waarbij energie zonder gebruikelijke elektroden aan de ontlading wordt overgedragen. Dat maakt niet iedere lamp met een spoel een inductielamp.

IP-aanduiding

IP beschrijft bescherming van een behuizing tegen binnendringen onder vastgelegde omstandigheden. Het eerste cijfer gaat over vaste voorwerpen en stof, het tweede over water. Controleer ook connectoren, montagepositie en handleiding: een opgegeven IP-waarde maakt niet de hele opstelling onbeperkt weerbestendig.

IRC-lamp

Een halogeenlamp met een infraroodreflecterende coating die warmte naar de gloeidraad kan terugsturen. Dit kan het rendement beïnvloeden. Het blijft een warme lichtbron met eigen armatuurvoorwaarden; IRC is geen LED-techniek en geen garantie dat een willekeurige reflector of lampvoet uitwisselbaar is.

K — klasse, kleur en afstand

Elektrische beschermingsklasse

Klasse I gebruikt een beschermingsaarde; klasse II berust op dubbele of versterkte isolatie. Klasse III betreft voeding op veilige zeer lage spanning volgens de toepasselijke uitvoering. Deze indeling staat los van IP, IK en de vermogensklasse van een versterker of lamp.

Kleurtemperatuur (K)

De tint van wit licht wordt beschreven in kelvin. Ongeveer 2700–3000 K oogt warm; 4000 K neutraler en 5600–6500 K meer daglichtachtig. Dit zijn praktische aanduidingen, geen vaste sfeerregels. Verzadigd rood of blauw licht kun je niet zinvol alleen met een witte kleurtemperatuur beschrijven.

Kleurweergave-index, CRI en Ra

Kleurweergave vergelijkt hoe testkleuren onder een lichtbron verschijnen ten opzichte van een referentie. Ra is een gemiddelde index en geen percentage helderheid. Ra 0 betekent niet pikzwart; negatieve waarden zijn mogelijk. Bij veeleisend wit licht zijn aanvullende kleurgegevens en een praktijkproef nuttig.

Kwadratenregel

Voor een puntvormige bron onder passende vrije-veldvoorwaarden daalt de verlichtingssterkte met het kwadraat van de afstand. Twee keer zo ver geeft dan ongeveer een kwart van de luxwaarde. Bij uitgebreide bronnen, veranderende zoom, nabije afstanden en reflecties kun je die vuistregel niet onbeperkt toepassen.

L — van LED tot lux

Lamp en LED

Een lamp is een lichtbron; in dagelijks taalgebruik wordt ook het complete armatuur zo genoemd. Een LED is een halfgeleiderlichtbron. De uiteindelijke kleur, dimkwaliteit en levensduur hangen mede af van driver, koeling, optiek en gebruik. Het woord LED alleen is geen kwaliteitsbeoordeling.

Licht en lichtspectrum

Licht omvat het voor mensen zichtbare deel van elektromagnetische straling. Het spectrum beschrijft welke golflengten aanwezig zijn en in welke verhouding. Twee bronnen kunnen vergelijkbaar wit lijken en toch kleuren van voorwerpen verschillend weergeven. Een kleurenspectrum is daarom iets anders dan een RGB-kleurinstelling.

Lichtsterkteverdeling

De verdeling van lichtsterkte over richtingen, vaak weergegeven in een diagram. Hiermee zie je waar een armatuur zijn licht heen stuurt. Voor een lichtplan gebruik je de bijbehorende meetgegevens; een foto van een lichtbundel is daarvoor geen nauwkeurig vervangend rekenbestand.

Lichtstroom (lumen, lm)

De totale, voor menselijke waarneming gewogen lichtuitstraling. Bij armaturen is van belang of de waarde voor de losse bron of het complete armatuur geldt. Lichtstroom zegt op zichzelf nog niet hoeveel licht op een gezicht, podiumvloer of werkblad terechtkomt.

Lijnenspectrum

Een spectrum met sterke bijdragen in afzonderlijke smalle golflengtegebieden, zoals bij bepaalde gasontladingen. Een eenvoudige indeling in goed en slecht is onvoldoende: beoordeel de vereiste kleurweergave en de concrete lichtbron. Ook verschillende LED- en fluorescentiebronnen kunnen sterk uiteenlopende spectra hebben.

Long-life

Een gebruiksaanduiding voor langere levensduur, geen op zichzelf complete technische norm. Vraag naar de meetvoorwaarden en de gehanteerde definitie: uitval, behoud van lichtstroom en de levensduur van de driver zijn verschillende zaken. Temperatuur en gebruiksuren beïnvloeden het resultaat.

Luminantie (cd/m²)

Een maat voor de hoeveelheid lichtsterkte per geprojecteerd oppervlak in een kijkrichting. Ze helpt beschrijven hoe helder een lichtgevend of verlicht vlak wordt ervaren. Luminantie is geen andere schrijfwijze voor lux: de richting en het betreffende oppervlak spelen een andere rol.

Lux (lx)

De eenheid van verlichtingssterkte: één lumen per vierkante meter. Meet op het relevante vlak en vermeld afstand, richting, zoom en bedrijfsstand. Een hoge luxwaarde midden in een bundel is geen bewijs dat het hele podium of het hele werkblad voldoende en gelijkmatig verlicht is.

M, N en O — metaalhalogeen, normen en ornamenten

Metaalhalogeen- of metaalhalidelamp

Een hogedrukgasontladingslamp met een specifieke lampvulling. Ze kan een hoge lichtopbrengst hebben, maar verlangt de juiste voeding en armatuuruitvoering. Opwarm- en herontsteektijd verschillen per systeem. Gebruik bij vervanging de voorgeschreven lamp en niet uitsluitend hetzelfde wattage.

Modelling

In lichtontwerp betekent modelleren dat richting, contrast en schaduw een vorm leesbaar maken. Frontlicht, zijlicht en tegenlicht hebben verschillende functies. Meer licht vanuit één richting maakt een gezicht of decor niet automatisch beter zichtbaar; de verhouding tussen de richtingen is bepalend.

Norm en praktijkverlichtingssterkte

Een norm beschrijft afspraken en eisen binnen een afgebakend toepassingsgebied. Bij werkplekverlichting gaat het naast lux onder meer om comfort, gelijkmatigheid en kleur. Een ontwerpwaarde is geen algemene luxregel voor elk kantoor, podium of lokaal. De actuele toepassing en het onderhoudsplan horen bij de beoordeling.

Ornament

Een oudere benaming die soms voor een armatuur wordt gebruikt. Ze vertelt niets over lichtbron, optiek of aansluiting. Zoek bij vervanging daarom naar typegegevens en afmetingen van het werkelijke product, in plaats van alleen naar de benaming op een oude installatiebeschrijving.

P en R — puntbronnen, reflectoren en ruimte

Puntvormige lichtbron

Een rekenmodel waarbij de afmetingen van de bron klein zijn ten opzichte van de afstand. Werkelijke armaturen kunnen daarvan afwijken. Gebruik bijvoorbeeld een brede LED-wand of een lang lijnarmatuur niet zonder meer alsof het één kleine puntbron is.

Reflector en spiegelreflector

Een reflector stuurt licht om; een spiegelreflector doet dit grotendeels spiegelend. Vorm, materiaal en plaatsing beïnvloeden de bundel. Een passende reflector kan de verdeling veranderen zonder het elektrische vermogen te verhogen. De optiek moet wel bij de lichtbron en het armatuur passen.

Ruimte-index of K-factor

Een verhouding van ruimteafmetingen en de relevante montagehoogte, gebruikt in bepaalde lichtberekeningsmethoden. Ze is een hulpmiddel bij het bepalen van de benutting van licht. Reflectie van plafond, wanden en vloer en de gekozen armaturen blijven daarnaast nodig voor een bruikbare berekening.

S — spanning, stroom en stroboscopie

Spaarlamp

De gebruikelijke naam voor een compacte fluorescentielamp met ingebouwd voorschakelapparaat. De term beschrijft een oudere productgroep en is geen garantie voor laag verbruik in vergelijking met een geschikt LED-alternatief. Controleer voet, afmetingen, dimbaarheid en gebruiksomgeving bij vervanging.

Spanning, stroom en stroomsterkte

Spanning wordt in volt weergegeven en stroomsterkte in ampère. Samen met de eigenschappen van de belasting bepalen ze het opgenomen vermogen. Een passende connector zegt niet dat spanning, stroomcapaciteit en aardingsvoorziening kloppen. Voedingen en verdelers moeten als complete keten passen.

Steradiaal (sr)

De eenheid van ruimtehoek. Ze speelt een rol in het verband tussen lichtsterkte en lichtstroom: candela is lumen per steradiaal. Voor een praktische productkeuze zijn meestal de opgegeven bundel, de fotometrische gegevens en de meetafstand directer bruikbaar dan zelf rekenen met een ruimtehoek.

Stroboscopisch effect en flikkering

Tijdvariaties in licht kunnen bewegende voorwerpen schijnbaar anders laten bewegen en kunnen op camera als strepen of helderheidswisselingen verschijnen. Een hoge opgegeven PWM-frequentie is niet voor iedere camera-instelling voldoende bewijs. Test de gewenste sluitertijd, framerate en dimstand in de echte toepassing.

Systeemvermogen

Het totale elektrische vermogen van een systeem, inclusief driver of voorschakelapparaat. Dit kan verschillen van het vermogen van de losse lichtbron of de optelsom van LED-chipvermogens. Gebruik voor de stroomplanning de elektrische gegevens van het complete armatuur.

T — buizen en temperatuurstralers

T5 en T8

Benamingen voor fluorescentiebuizen met verschillende buisdiameters. Ook lengtes, voeten en voorschakelapparaten verschillen. Bij LED-retrofit zijn er uitvoeringen voor verschillende aansluitwijzen; een model dat een aanpassing aan de bedrading verlangt mag niet als universele insteekvervanger worden behandeld.

Temperatuurstraler

Een lichtbron die licht uitzendt doordat materiaal heet wordt, zoals een gloei- of halogeenlamp. Dimming verandert bij zulke bronnen doorgaans ook de lichtkleur. Een LED met een warm-dimfunctie kan dat gedrag nabootsen, maar niet iedere dimbare LED doet dit vanzelf.

U — verblinding en ultraviolet

UGR, UGR-limiet en de tabelmethode

UGR is een rekenmethode voor hinderlijke verblinding bij daarvoor geschikte binnenverlichtingssituaties. Het resultaat hangt af van armaturen, opstelling, ruimte en kijkrichting. Een los productlabel met UGR is dus geen garantie voor de complete ruimte. Ook niet iedere accent- of podiumopstelling past binnen de tabelmethode.

UV-filter, UV-block en UV-stop

Aanduidingen voor voorzieningen die ultravioletstraling beperken. Hun werking en bereik verschillen per product. Ze maken een lichtbron niet zonder meer geschikt voor elk materiaal of voor langdurige blootstelling van personen. Gebruik het voorgeschreven lamp- en armatuursysteem en beoordeel de toepassing.

V, W en Z — vermogen, voeding en zonlicht

Verlichtingssterkte

De hoeveelheid lichtstroom die op een oppervlak valt, uitgedrukt in lux. De waarde kan horizontaal, verticaal of op een ander meetvlak worden bepaald. Vermeld welk vlak bedoeld wordt: een mooie waarde op de vloer zegt weinig over verlichting van een gezicht richting camera.

Vermogen (W) en volt (V)

Watt is de eenheid van werkelijk elektrisch vermogen; volt die van spanning. Meer watt betekent bij verschillende technieken niet automatisch meer bruikbaar licht. Vergelijk voor lichtopbrengst de lichtstroom en verdeling, en voor energiegebruik het systeemvermogen bij de betreffende bedrijfsstand.

Voltampère (VA)

De eenheid van schijnbaar vermogen bij wisselspanning. Het werkelijke vermogen in watt kan daarvan afwijken; de arbeidsfactor speelt hierbij een rol. De elektriciteitsgroep moet de werkelijke stroom kunnen leveren, ook als een apparaat relatief weinig watt vermeldt.

Voorschakelapparaat en LED-driver

Deze onderdelen verzorgen onder andere een geschikte voeding of stroombegrenzing voor de lichtbron. Ze verschillen in ingang, uitgang, vermogen en regelmethode. Een driver voor constante stroom is niet hetzelfde als een voeding met constante spanning. Vervang onderdelen op volledige specificatie.

Wisselstroom en zonlicht

Wisselstroom verandert periodiek van richting; bij een gebruikelijke netvoeding in Nederland en België is de frequentie 50 Hz. Zonlicht is daglicht waarvan kleur en intensiteit veranderen met tijdstip, weer en omgeving. Behandel daglicht daarom niet als één onveranderlijke kleurtemperatuur of luxwaarde.

Van begrip naar lichtplan

Noteer lichtdoel, afmetingen, afstanden, kijkrichtingen en besturing voordat je producten vergelijkt. Kijk vervolgens naar de complete combinatie van armatuur, voeding, bevestiging, bekabeling en transport. Voor een gezicht, dansvloer en tentoonstellingswand kunnen verschillende onderdelen van hetzelfde specificatieblad doorslaggevend zijn.

Verder lezen: Lumen, lux en candela: wat vergelijk je eigenlijk?, Kleurtemperatuur: welk wit licht past bij je toepassing?, Kleurweergave: waarom wit licht niet altijd hetzelfde laat zien.

Verder met je opstelling

Bekijk de huidige podium- en effectverlichting of stel je lichtset samen. Voor een specifieke combinatie kun je je vraag aan J&H voorleggen.

Alleen noodzakelijke cookies staan altijd aan. Jij bepaalt of de onderstaande diensten mogen laden.

Lees meer over privacy en cookies